woensdag 13 februari 2019

Recensie: Raja's van de Ganges


Raja’s van de Ganges, ik moet eerlijk bekennen dat ik even op heb moeten zoeken wat Raja’s zijn. De Ganges kende ik wel (rivier in India). Volgens wikipedia kan Raja zowel slaan op een voetbalclub uit Marokko, een bepaald geslacht roggen óf het kan een titel zijn voor een koninklijke of prinselijke heerser in bepaalde delen van Azië. Gelet op de doos van Raja’s van de Ganges, hebben we in dit geval met de laatste betekenis te maken en gaan spellenliefhebbers dus weer eens hun best doen om een troon te veroveren.

In Raja’s van de Ganges zijn de spelers aan het begin van het spel de baas over een stuk onontgonnen grond en drie werkers. Met deze werkers kan je iedere ronde acties uitvoeren, waarmee je je schatkist vult en roem verwerft, bijvoorbeeld door in je provincie markten of gebouwen te bouwen. In de loop van het spel krijg je er nog één of twee werkers bij. Dit klinkt allemaal redelijk overzichtelijk, maar de praktijk is weerbarstiger want in Raja’s van de Ganges zijn er heel veel verschillende wegen die naar geld of roem leiden.

Tijdens je beurt zet je één van je werkers in op het bord. Er zijn vijf verschillende typen actie-locaties waar je je werker kan plaatsen. Allereerst kan je je werker op de begane grond van het paleis plaatsen en hiermee dobbelstenen verzamelen. Deze dobbelstenen heb je nodig voor andere acties die je wil doen. In de toren van het kasteel bijvoorbeeld moet je bij iedere actielocatie ook een dobbelsteen met de juist waarde inleveren om de actie te mogen uitvoeren. In deze toren kan je bijvoorbeeld veilig stellen dat jij de startspeler voor de volgende ronde bent. Op het derde deel van het bord kan je je werkers naar de steengroeve sturen waardoor je het recht krijgt om een gebouw of markt te bouwen in je provincie. Je moet daarvoor altijd geld  betalen en weer dobbelstenen inleveren, maar het levert ook meteen wat roem en/of geld op. In het vierde deel van het bord kan je de markten die je gebouwd hebt activeren zodat ze nog meer geld opleveren. Ook hier moet je dan wel weer een dobbelsteen voor inleveren. De laatste locatie waar je een werker naar toe kan sturen, is naar de Ganges zelf. Ook hiervoor moet je weer geld én een dobbelsteen inleveren waardoor je een stukje mag varen over de rivier, maar dit levert ook telkens iets leuks op (dobbelstenen, geld, roem, etc.).

Op de rand van het spel staat een dubbel scorespoor. Op de buitenkant van het scorespoor wordt je geldvoorraad bijgehouden en op de binnenkant je opgebouwde roem. De twee sporen zijn tegengesteld doordat het eind van het geldspoor het begin van het roemspoor is en vice versa. Het doel van het spel is om de markeerstenen waar je je roem en geld mee bijhoudt, te laten kruisen. Wie dit als eerste voor elkaar krijgt, wint het spel en wordt de Raja van de Ganges.

….en de waardering

Raja’s van de Ganges is een heerlijk liefhebbersspel waar je een balans moet vinden tussen het investeren (in bijvoorbeeld dobbelstenen) en het incasseren van geld en roem. De kern van het spel bestaat uit de combinatie van gebouwen en markten die je bouwt in je provincie. Maar daarnaast zijn er nog heel veel andere mogelijkheden om links en rechts wat geld of roem te sprokkelen, als je tenminste over de juiste dobbelstenen beschikt.  Deze mogelijkheden kan je niet verwaarlozen, maar je kan het spel denk ik niet winnen als je alleen maar voor het snelle geld of de snelle roem gaat. Je bent dus constant aan het balanceren tussen geld en roem scoren en investeren in de toekomst door de juiste dobbelstenen te verzamelen of de juiste gebouwen te bouwen.  En daarbij moet je ook nog een beetje in de gaten houden wat de andere spelers aan het doen zijn, bijvoorbeeld door een scoremogelijkheid te claimen die jou niet zo veel oplevert maar een ander wel. Omdat het doel van het spel is om de markeerstenen van roem en geld te laten kruisen, kan je zowel specialiseren in geld of roem, maar je kan ook voor een mix gaan.

Dit geweldig leuke spel is ook nog eens verpakt in een prachtige uitvoering. Het is een kleurrijk feestje om dit spel op tafel te zetten. Alleen de werkers zijn er een beetje bekaaid afgekomen doordat ze geen armpjes hebben (ze doen mij denken aan de drenkeling-poppen uit het zwembad waarop je reddend zwemmen kan oefenen). Maar de rest van het spel ziet er fantastisch uit. Zo krijgt de startspeler een prachtige 3D olifant voor zich te staan en worden je dobbelstenen op een speciaal bordje in de vorm van een godin met 10 handen gelegd (iedere hand kan een dobbelsteen voor je vasthouden).







Auteur: Inka en Markus Brand
Uitgever: 999 games, 2018
Aantal spelers: 2-4
Leeftijd: vanaf 12 jaar
Speelduur: 45-75 minuten
Prijs: circa 45 euro

zondag 10 februari 2019

Recensie: Patchwork Light

Onder spelontwerpers is Uwe Rosenberg zonder enige twijfel een van de grootste puzzelliefhebbers. Veel van zijn spellen ogen meer als indrukwekkend gecompliceerde optimaliseringspuzzels voor mensen die de spellen van Stefan Feld niet uitdagend genoeg vinden. Maar af en toe glipt er spel tussendoor waar het puzzelen wat duidelijker naar voren komt en complexe strategieën een dagje vrij zijn. De bekendste is waarschijnlijk Patchwork, waar je allerlei verschillend gevormde tegels zo slim mogelijk in elkaar moet passen om zo je bordje vol te krijgen.


Patchwork is geen ingewikkeld spel; de grootste complexiteit zit in het feit dat je af en toe even moet visualiseren hoe en waar je bepaalde stukjes in kunt passen. Mensen die van legpuzzels houden zullen er veel plezier aan beleven. Maar blijkbaar is er toch een markt voor een eenvoudiger variant, en zo zag Patchwork Light het levenslicht.

Patchwork Light is in alles een vereenvoudigde kopie van het origineel. De regels zijn identiek, maar het bord is kleiner, de speelduur korter en de stukken passen beter. En als het allemaal toch moeilijk past, komen er aan het eind van het spel allemaal extra kleinere stukjes in het spel die wonderwel overal wel passen. Het type puzzelstuk waar je in het origineel veel voor over had is hier ineens overvloedig aanwezig en je lapt er maar weinig voor.

Dit alles maakt dat Patchwork Light nog soepeler speelt dan de grote broer. Dat zal de reden zijn dat het volgens de doos bij uitstek geschikt is voor kinderen en ‘ouderen’ (die blijkbaar ook niet zoveel complexiteit aankunnen).

...en de waardering

Patchwork was al een soepel en snel spel voor twee, Patchwork Light is dat nog veel meer. In de eerste versie moest je soms nog even nadenken hoe je je puzzelstukken zou plaatsen, opdat er later nog een specifiek ander stuk in zou passen. Daar hoef je je in deze light versie bijna helemaal geen zorgen om te maken. Mocht je het jezelf moeilijk hebben gemaakt, dan kun je tegen het einde altijd nog wel een passend stukje vinden. In het origineel komt het regelmatig voor dat je nog zoveel gaten in het weefsel hebt dat je met een negatieve score eindigt. In Patchwork Light is dat vrijwel uitgesloten. Het is niet eens zo moeilijk om je hele bord vol te krijgen, een bijna onmogelijke taak in het gewone Patchwork.

Omdat het in alles vriendelijker is, beschouw ik Patchwork Light vooral als kinderspel. Als zodanig is het prima. Twee volwassenen (of oudere kinderen die ook wel eens een bordspel spelen) zullen meer plezier beleven aan het origineel of verwante spellen als Cottage Garden.










Patchwork Light
Auteur: Uwe Rosenberg
Uitgever: 999 Games, 2018
Aantal spelers: 2, vanaf 8 jaar
Speelduur: 15 minuten
Prijs: ca 18 euro

zaterdag 9 februari 2019

Recensie: Carcassonne Safari


Toen ik de spellenwereld in 2000 ontdekte, waren er twee spellen waar je niet om heen kon: De Kolonisten van Catan en Carcassonne. Deze spellen zijn zo goed dat er sinds 2000 van beide stapels uitbreidingen en spin-offs op de markt zijn gekomen en het eind is nog niet in zicht. Deze spellen mogen zich dus met recht hedendaagse klassiekers noemen. De laatste loot aan de Carcassonne-boom is Carcassonne Safari.

Carcassonne Safari speelt zich af op de Afrikaanse steppe. Onder de brandende zon strekt zich een dor graslandschap uit dat afgewisseld wordt door een paar kleine waterpoeltjes en wat bomen. Door het landschap lopen weggetjes. Als je goed kijkt zie je zelfs wat dieren, zoals apen, olifanten, giraffen en zebra’s.

De spelers leggen om de beurt passend een vierkante tegen aan waarop dit landschap staat afgebeeld. Vervolgens mag je een mannetje op deze tegel zetten om een bepaald landschapselement te claimen. In tegenstelling tot good old Carcassonne gaat het in Carcassonne Safari niet om het bouwen van zo groot mogelijke landschapselementen (het grootste bos, de langste weg, etc.) maar  om landschapselementen met zo veel mogelijk verschillende dieren er in. Een weg met vijf olifanten er op levert daardoor minder op dan een weg met een olifant, zebra en giraffe.

De apenbroodboom neemt een speciale plaats in in het spel. Als je een apenbroodboom bouwt en er een mannetje op zet, dan pak je meteen twee fiches waarop de dieren staan afgebeeld die op de Safanne voorkomen. Als je de apenbroodboom afbouwt (de tegel waarop de apenbroodboom staat is omsingeld door negen tegels), dan krijg je nog twee van deze fiches.

Met deze fiches kan je waterpoeltjes maken. Als je in een beurt geen mannetjes op je zo juist geplaatste tegel hebt gezet, mag je in plaats daarvan aan een poel gaan bouwen. Je legt dan een dierenfiche op het hoekje van een tegel en zet er een mannetje op. In volgende beurten kan je er (als je geen mannetjes hebt ingezet) verder bouwen aan een poel door er één extra fiche aan toe te voegen. Je mag daarbij ook verder bouwen aan de poel van een andere speler. Je moet er daarbij wel op letten dat elk dier maar één keer voor mag komen in een poeltje. Voor ieder fiche dat je plaatst krijg je punten. Een poel is maximaal 4 fiches groot. Als je een poel afbouwt, krijg je je mannetje weer terug en krijgt de eigenaar van een poel nog wat extra punten.

Maar de fiches mag je ook in zetten om je score bij wegen of bosjes te verhogen (maximaal 1 fiche per keer). Op deze manier kan je net een extra diersoort en daarmee extra punten scoren.

De laatste noviteit in Carcassonne Safari zijn de Rangers. De Rangers rijden in witte Jeeps (houten speelfiguren) door het landschap. Aan het begin het spel worden de twee Jeeps aan de rand van de starttegel gelegd. Als je een tegel aanlegt op een plek waar een jeep staat, dan krijg je extra punten en mag je zelf weten waar je de Jeep daarna neer zet. Als je in je beurt geen mannetje hebt geplaatst, dan mag je ook een Jeep verplaatsen, bijvoorbeeld naar een plekje waar je zelf hoopt te bouwen of waar je wel wat hulp kan gebruiken (bijvoorbeeld voor het afmaken van een apenbroodboom).

Als de laatste tegel is gelegd, krijgen de spelers nog wat punten voor niet afgebouwde bosjes en wegen. En wie daarna de meeste punten heeft, wint het spel.

…en de waardering

Het spelsysteem van Carcassonne staat als een huis en zo lang je de varianten maar niet te gek maakt, zal je dus eindigen met een goed spel. Carcassonne Safari voegt zowel een twist (het gaat om het aantal verschillende dieren en niet de grootte) en wat elementen (dierenfiches en jeep) toe aan de bekende klassieker. Dit levert een aangenaam potje Carcassonne op, maar tegelijkertijd blijft het zo dicht bij de kern dat het niet heel vernieuwend is. 







Auteur: Klaus-Jürgen Wrede
Uitgever: 999 games, 2018
Aantal spelers: 2-5
Leeftijd: vanaf 7 jaar
Speelduur: 30-45 minuten
Prijs: circa 25 euro

zondag 3 februari 2019

Recensie: Muse

Een van de moeilijkste dingen van het ontwerpen van een succesvol spel is dat van het bedenken van een leuk nieuw spelidee. Als dat dan lukt duurt het niet lang of er verschijnen veel navolgers. Dixit bracht ons het geven van cryptische omschrijvingen bij surrealistische illustraties. Al snel kregen we een mix tussen Dixit en Cluedo (Mysterium), Dixit met je ogen dicht (When I Dream) en kort geleden Dixit in teams: Muse.

Muse was een grote hit tijdens Spiel 2017 en het duurde niet lang dat ook andere uitgevers het oppikten. In Nederland was het 999 Games dat toesloeg.



Je speelt Muse in twee teams van twee of meer spelers. Om beurten krijgen de teams zes geïllustreerde kaarten en twee kaartjes met een instructie. Ze kiezen van beide soorten uit en geven die aan een speler van het andere team. Deze speler moet dan op basis van de instructie de illustratie aan zijn teamgenoten omschrijven. Dat kan door middel van handgebaren, een kleur, een meubelstuk of noem maar op.

Nadat de speler de omschrijving heeft gegeven, wordt de kaart met het plaatje met de andere vijf geschud en opengedraaid. De teamgenoten moeten nu raden welke de juiste is. Hebben ze dat goed, dan is de kaart voor hen. Is het fout, dan is de kaart voor het andere team. Het team dat als eerste vijf kaarten verzamelt wint het spel.













…en de waardering

Muse heeft een leuk spel idee misschien nog wel leuker gemaakt. Een probleem van Dixit is dat het moeilijk kan zijn om een omschrijving te bedenken die vaag genoeg is maar toch niet te vaag. Het gebeurt daardoor erg vaak dat iedereen het fout of juist goed raadt. Bij Muse heb je daar geen last van: je probeert je kaart zo goed mogelijk te omschrijven, want je wilt juist dat het geraden wordt.

Daar komt wel een ander nadeel bij kijken: niet alle instructiekaarten zijn even eenvoudig. Met sommige is het ontzettend moeilijk om een goede omschrijving te geven, met andere is het een makkie. De uitbreiding Awakenings lost dit op door de instructiekaarten een waarde te geven: moeilijke leveren meer punten op en het doel is nu punten scoren.

Fans kan ik aanraden om de uitbreiding te kopen, al was het maar vanwege de extra kaarten. Een voor de mensen die Muse helemaal niks vinden: wie zijn jullie?







Muse

Auteur: Jordan Sorenson
Uitgever: 999 Games, 2018
Aantal spelers: 4 of meer, vanaf 10 jaar
Speelduur: 30 minuten
Prijs: ca 25 euro


zaterdag 2 februari 2019

Maandoverzicht: januari 2019 (Dagmar)



Zo, de eerste maand van het jaar zit er weer op! Het begint al weer langzaam een beetje langer licht te zijn en daar ben ik heel blij mee. De eerste week van dit jaar begon goed met nog twee spellendagen in de kerstvakantie (spellenpret en een dagje met Peter Hein en Anton). Na de kerstvakantie zakte helaas de speelfrequentie flink terug, onder andere doordat ik een week lang aan de buis gekluisterd zat voor de finale van de Slimste Mens op een tijdstip dat ik normaal nog wel eens een spelletje deed (Peter Hein deed mee én won). Uiteindelijk stond er 37 keer een spel op tafel, waarvan 6 nieuw waren.

Het eerste spel (alfabetisch) dat ik voor het eerst speelde was  Architects of the West Kingdom. Dit is een werkverschaffingsspel waar je iedere ronde een meeple op een actielocatie zet. Hoe meer meeples van een speler op een locatie staan, hoe groter de opbrengst is die je krijgt als je er nog een meeple bijzet. Het enige risico is dat als er veel meeples van jou op een plek staan, het heel aantrekkelijk wordt voor andere spelers om deze groep gevangen te nemen en vervolgens af te leveren bij de gevangenis. En dan moet jij vervolgens acties besteden aan het weer vrijkopen van de gevangenen. Ik vond dit een interessant mechanisme. Wij waren tijdens het spel denk ik alleen iets te veel bezig met elkaar gevangen nemen en lieten ons daardoor een beetje afleiden van de belangrijkste manieren om punten te scoren. Architects is een puntensalade waar je op verschillende manieren kan scoren en het is de eerste keer best lastig om dat goed te overzien. Het spel duurde daardoor een tikje lang. Maar desalniettemin heb ik me er prima mee vermaakt en zou ik het spel graag nog eens doen.

Het tweede spel dat ik voor het eerst speelde was Betrayal at House on the Hill. Deze klassieker stond al heel lang op mijn wensenlijstje en ik was blij dat ik eindelijk de kans had om het spel te spelen. Betrayal is een soort dungeon crawler waarin je een spookhuis verkend. Het spel bestaat uit twee fasen. In de eerste fase lopen de spelers rond en ontdekken ze het huis. Telkens als je door een deur stapt leg je een nieuwe tegel aan die je blind van een stapel trekt. Soms gebeurt er dan niets, maar op veel tegels staat een symbool dat verwijst naar één van de stapels met kaarten waar je dan een kaart van trekt met een gebeurtenis of voorwerp. Bij gebeurtenissen moet je vaak dobbelen om te kijken hoe de gebeurtenis uitpakt (bijvoorbeeld: je wordt aangevallen door een geest en je moet dobbelen om te kijken of je ongeschonden de aanval weet te doorstaan). In deze fase proberen de spelers handige voorwerpen te verzamelen en hun karakters een beetje aan te sterken (ieder karakter heeft verschillende eigenschappen zoals bijvoorbeeld kracht en snelheid die bepalen hoe goed ze in bepaalde tests zijn). Op een gegeven moment (wederom aangestuurd door de dobbelstenen) begint het echt te spoken in het huis. Afhankelijk van waar en met welk voorwerp het spookuurtje werd getriggerd, zoek je in een boekje het bijbehorende scenario op. In het scenario wordt uitgelegd wat er is gebeurd en wat je moet doen om het spel te winnen. In veel gevallen blijkt één van de spelers een verrader te zijn. Deze speler krijgt zijn eigen boekje met uitleg en instructie over het scenario. Vervolgens proberen de spelers zo snel mogelijk de overwinningsconditie voor hun kant te bereiken.

In ons scenario hoefden we gelukkig niet tegen elkaar te vechten, maar moesten we uit het huis zien te ontsnappen door een bepaald voorwerp te vinden (ik houd het expres vaag omdat ik geen spoilers wil geven voor mensen die het spel ook spelen). We vonden het voorwerp, maar daarna ontstond er wel een vechtpartij tussen de karakters waarbij we het telkens van elkaar afpakten en het spel daardoor een beetje langdradig begon te worden. Uiteindelijk besloten we dus maar met elkaar te vechten (tot de dood er op volgt) en was het een gevalletje: waar twee vechten om een been, gaat de derde er mee heen. Het idee van Betrayal vond ik wel erg leuk, maar het werd wel erg een dobbelfestijn op een gegeven moment en daar houd ik dan weer wat minder van.  

Het derde spel dat ik voor het eerst speelde was een nieuwe Carcassonne variant, namelijk Carcassonne Safari. Carcassonne zag in 2000 het levenslicht en sloeg toen in als een bom. Er zijn inmiddels al meer dan 10 uitbreidingen voor Carcassonne verschenen en ook meer dan 10 zelfstandig speelbare varianten. Ik denk dat dat veel zegt over de populariteit van het centrale spelmechanisme van Carcassonne. Het blijft gewoon leuk om samen een landkaart op te bouwen uit de vierkante tegeltjes. In Carcassonne Safari bouw je een landkaart van een Afrikaans safanne-landschap met veel gras en her en der een groepje bomen. In dit landschap leven verschillende dieren (apen, olifanten, giraffes, etc.). In deze variant moet je vooral proberen om zo veel mogelijk verschillende dieren in de door jouw geclaimde bosjes en wegen te krijgen. Je kan daarnaast een apenbroodboom claimen (“het klooster”) en zowel als je die begint te bouwen als op het moment dat je die afgebouwd hebt, krijg je een fiche met daarop ook een dier. Met deze fiches kan je waterpoeltjes bouwen, waarmee je ook weer punten kan scoren. Of je kan ze inzetten om het aantal verschillende dieren in jouw bosjes en wegen op te hogen. Verder rijden er nog twee jeeps door de savanne en kan je extra punten scoren als je bouwt op de plek van een jeep. Je mag daarna de jeep ook verplaatsen en dan kan je hem natuurlijk op een plek zetten waar je zelf graag wilt dat er gebouwd wordt (bijvoorbeeld om een apenbroodboom af te maken). Op deze manier geef je de andere spelers een kleine incentive om je te helpen. Het Carcassonne-mechanisme blijkt ook prima te werken in de safari en heeft weer een degelijk Carcassonne-spel opgeleverd. Het enige minpuntje vond ik dat het spel net wat te lang duurt (in ieder geval met twee spelers).

Carpe Diem was het vierde nieuwe spel voor mij deze maand. Dit is een nieuw spel van Stefan Feld dat uitgegeven wordt door Alea. In dit spel bouw je gebouwen in een Romeinse wijk. Het spel bestaat uit verschillende rondes. Aan het begin van iedere ronde worden op een speciaal bordje gebouwtegels in groepjes neergelegd. De spelers pakken vervolgens om de beurt een gebouw uit zo’n groepje. Maar je mag niet zo maar overal pakken, je zet een pion neer op de plek waar je pakt en in de volgende ronde moet die pion naar één van de twee andere locaties lopen waarmee de locatie waar je staat verbonden is om daar een volgende tegel te pakken. Je moet dus niet alleen rekening houden met wat de andere spelers willen en dus voor je neus weg pakken, maar ook met de route die je kiest. De tegels die je pakt leg je op een eigen spelersbordje. Aan het eind van elke ronde krijg je punten. Aan het begin van het spel wordt een speciaal bordje neergelegd met daarop kaarten waarop staat waar je punten voor krijgt (bijvoorbeeld voor het aantal bakkers dat je hebt of het aantal afgebouwde gebouwen). Om de beurt leggen de spelers een fiche neer tussen twee kaarten en scoren ze punten volgens deze twee kaarten. Op elke plek mag maar één fiche komen te liggen en neemt het aantal scoremogelijkheden tijdens het spel steeds verder af. Je moet je dus soms ook afvragen of je iets nu wil scoren of dat je er op gokt dat het er de volgende ronde ook nog wel is en dat je dan nog meer punten kan scoren. Ik vond Carpe Diem een erg leuk spel en zou het onmiddellijk gekocht hebben als de uitvoering niet zo beroerd was. De kleuren die gebruikt zijn heel somber en soms niet goed uit elkaar te houden (terwijl dit wel belangrijk is). Alea heeft al aangekondigd dat ze de kleuren in de tweede editie gaat aanpassen, dus ik heb goede hoop dat dit spel uiteindelijk wel in mijn spellenkast zal gaan belanden.

Ik heb vorig jaar Fireball Island gebacked op Kickstarter en dat spel werd afgelopen maand afgeleverd. Fireball Island is een spel van Restoration Games. Dit is een Amerikaanse uitgever die als motto heeft dat elk spel een nieuwe ronde verdient (“every game deserves another turn”). Ze kopen de rechten van populaire spellen uit de tweede helft van de vorige eeuw op, geven deze spellen een flinke opknapbeurt en brengen ze dan opnieuw uit. Fireball Island is een plastic fantastic kinderspel dat in de jaren ’80 in Amerika ontzettend populair was. Als je een tweedehands versie van het spel wil kopen, moet je dan ook flink in de buidel tasten (zeg 100 tot 300 dollar). In Fireball Island zijn de spelers ontdekkingsreizigers op een tropisch eiland waarop een grote vulkaan staat. Bij de vulkaan ligt een schat voor het oprapen en het doel van het spel is om met deze schat het eiland te verlaten. De vulkaan is natuurlijk niet echt te spreken over de diefstal en bestrijdt de dieven met lava-ballen (knikkers die in de vulkaan gegooid worden en vervolgens over het eiland rollen en daarbij de pionnen van de spelers omgooien). Restoration Games heeft dit spel flink onder handen genomen door onder andere een nieuw bord te ontwerpen en het spelmechanisme aan te passen.  In de nieuwe versie draait het niet alleen meer om het hart van de vulkaan, maar moet je punten verdienen door als toerist over het eiland te racen en daar verschillende kleine en grote schatten op te rapen (het hart van de vulkaan is een grote schat) en door selfies te maken. De vulkaan spuugt nog steeds lavaballen uit om de indringers te bestrijden. In de kickstarter-campagne werden ook meteen drie uitbreidingen aangeboden, waarvan ik er twee heb gekocht. Met deze uitbreidingen heeft het eiland nog veel meer manieren om de ongewenste gasten het leven zuur te maken, bijvoorbeeld door aanvallen met slangen en bijen (groene en gele knikkers), een grote rots (groot schuimrubberen balletje) een tijger (plastic speelstuk dat je moet schieten). Fireball Island is een echt familiespel waarin geluk een flinke rol speelt (als je pech hebt rollen alle lava-ballen, bijen en slangen altijd jouw kant op). Niek en ik hebben het spel nu twee keer gedaan en ik had er wel plezier in. Het blijft gewoon leuk om knikkers in een vulkaan te gooien en te hopen dat ze de andere speler omgooien. De eerste keer deed ik alle uitbreidingen in het spel en dat was wat te veel van het goede voor ons. Het is beter om met één of maximaal twee elementen te spelen omdat anders de stapel kaarten die bepaalt welk element je mag gebruiken wel heel erg verwaterd en sommige dingen niet meer voorbij komen. Ik heb het originele spel nooit gespeeld, maar ik denk dat Restoration Games goed werk heeft afgeleverd. De enige uitglijer die ze gemaakt hebben is de materiaal keuze van de doos. De doos is gemaakt van flinterdun karton. Het karton is zo dun dat de doos niet eens netjes rechtop blijft staan als hij open is. Hij begint dan over zijn vouwen in elkaar te zakken.

Het laatste nieuwe spel dat ik deze maand speelde was Ilôs. In dit spel ben je een ontdekkingsreiziger die een tropisch eilandenrijk aan het ontdekken is. In dit rijk bouw je nederzettingen en stuur je pioniers op pad om grondstoffen te verzamelen. De grondstoffen die je verzameld zijn aan het eind van het spel punten waard. Maar hoeveel punten ze waard zijn staat van te voren niet vast. Je kan grondstoffen opgeven om de waarde van een goed te verhogen. Maar dat doe je niet alleen voor jezelf, maar voor alle spelers. Je moet dit dus met beleid doen: als je de waarde verhoogd dan heb je zelf minder van de goederen maar de andere profiteren volledig mee en zullen dan vast harder hun best doen om deze grondstoffen ook te gaan verzamelen. Ik vond Ilôs best aardig, maar had nog niet echt grip op het spelverloop en vind het dus ook moeilijk om al echt een oordeel te geven.