zondag 24 mei 2020

Knizia Challenge deel 1/3

Na de Ticket to Ride Challenge, hebben Niek en ik een nieuwe Challenge voor onszelf bedacht: de Knizia Challenge. We wilden al onze competitieve Knizia spellen spelen die geschikt zijn voor 2 spelers. Het moge duidelijk zijn waarom we ons beperken tot de spellen die je met zijn tweeën kan doen. Door deze beperking vallen kastdochters Amon Ra, De Veilingmeesters van Amsterdam, Royal Turf en Taj Mahal af. De andere beperking (competitieve) heb ik toegevoegd omdat Niek een hekel heeft aan coöperatieve spellen. Om de sfeer hier in huis dus een beetje goed te houden, is het dus beter om de coöperatieve spellen  buiten de Challenge te houden. Dat betekent dus dat In de ban van de Ring (en zijn drie uitbreidingen) en Star Trek Expeditions niet op tafel zijn gekomen. Al onze andere Knizia’s hebben we gespeeld. Ik bespreek ze in alfabetische volgorde (waarbij ik spellen uit dezelfde spellen-familie wel bij elkaar heb gezet). Van veel van deze spellen zijn verschillende edities in omloop, ik heb het plaatje gebruikt van de editie die ik in de kast heb staan. En omdat het wel een heel lang blog zou worden als ik ze alle spellen achter elkaar bespreek, heb ik ze over drie blogjes verdeeld. Het laatste blogje eindigt natuurlijk met de nabeschouwing.

Beowulf is een spel dat in meerdere opzichten doet denken aan de coöperatieve klassieker In de ban van de Ring. Allereerst is het spel ook gebaseerd op een episch heldenverhaal. Beowulf is namelijk een gedicht uit waarschijnlijk de 10e eeuw (en is daarmee het oudste bekende voorbeeld van dit genre). Ten tweede moet je in beide spellen handkaarten afleggen waarbij je vaak onder onzekerheid moet beslissen of je kaarten wil afleggen in de hoop een bepaald doel te halen of dat je je verlies neemt maar dan wel je kaarten houdt. Het grote verschil is natuurlijk dat In de ban van de Ring coöperatief is en Beowulf competitief. In Beowulf zijn de spelers volgelingen van de gelijknamige held en volgen ze hem in zijn voetsporen langs alle avonturen die hij in het gedicht beleefd. Bij ieder stapje in het avontuur gebeurt er iets. Op veel momenten in het spel moet je tegen elkaar op bieden. Soms doe je dat door in één keer je bod neer te leggen en andere keren door om de beurt je bod te verhogen net zo lang tot iemand past. De speler die het langst doorspeelt, mag dan telkens als eerste iets uitkiezen (variërend van leuke dingen als punten, handkaarten en goud tot narigheid zoals punten verliezen of wonden oplopen). Op andere momenten in het spel mag je iets uitzoeken (die plekken op het bord corresponderen met de momenten in het verhaal dat Beowulf beloond wordt voor zijn heldendaden). In het spel heb je op verschillende momenten de mogelijkheid om een risico te nemen: dan draai je twee kaarten open en als je daar de juiste symbolen op staan dan mag je ze pakken, maar als de symbolen niet matchen dan krijg je een schram (en drie schrammen is een wond en wonden leveren minpunten op aan het eind van het spel). Ik houd van dit soort push your luck elementen in een spel. Ik vond dit spel met twee speler wel beduidend minder leuk om te doen dan met meer dan twee. Met drie of meer spelers kan je van die heerlijke momenten hebben dat je zelf vroeg uit een veiling bent gestapt (je verlies nemen maar kaarten houden) en je de andere spelers heerlijk tegen elkaar op ziet bieden en daar mee al hun handkaarten wegspelen. Bij de voorbereiding van dit spel heb ik het verhaal van Beowulf weer even opgehaald. Ik vond het leuk om te zien dat de velden op het bord op een abstracte manier het verhaal volgen. Je hoeft dit niet te weten als je het spel speelt, maar het maakt het spel wel net een beetje leuker. Het leukste detail uit verhaal wil ik jullie niet onthouden. Aan het begin van het gedicht verslaat Beowulf het vreselijke monster Grendel. De moeder van Grendel vindt dat echter niet zo leuk en komt wraak nemen. Zoals een goed held betaamd, verslaat Beowulf natuurlijk ook de moeder. Maar dat neemt niet weg dat dit het enige voorbeeld is dat ik ken van een monster dat gewroken wordt door zijn moeder. Hilarisch!  

Blue Moon City is een bordspel waarin de tekeningen van het tweepersoons kaartspelletje Blue Moon zijn hergebruikt. Het tweepersoonsspelletje kon mij niet zo bekoren en heb ik jaren geleden al weggedaan (en hoefde voor deze Challenge dus niet meer gespeeld te worden), hoe mooi ik het er ook uit vond zien. Gelukkig komen de spelelementen uit het kaartspel niet terug. In Blue Moon City gaan de spelers aan de slag om een prachtige stad te bouwen. De architecten hebben alles al ontworpen, het is alleen een kwestie van uitvoeren. De stad bestaat uit een raster met vierkante tegels waarop de gebouwen staan. Op elke tegel staat wat er nodig is om het betreffende gebouw te bouwen (handkaarten in bepaalde kleuren van een bepaalde waarde). Tijdens je beurt mag je met je pion twee stappen lopen en daarna zo veel handkaarten spelen als je wilt. Met de handkaarten betaal je de bouwkosten, maar je kan er ook heel veel andere dingen mee doen. Denk bijvoorbeeld aan extra stappen lopen of kaarten van kleur laten veranderen. Ook zijn er speciale kaarten waarmee je de drie draken die in deze stad wonen, kan bewegen. Als je namelijk bouwt op een tegel waar ook een draak staat, dan krijg je van hem een schubje als dank (daarover zo meer). Als je een gebouw afmaakt dan krijgen alle spelers die meegebouwd hebben een beloning die bestaat uit drakenschubben, handkaarten en/of kristallen (de speler die het meest heeft bijgedragen krijgt daarvoor nog een bonus). Daarnaast krijg je nog bonussen door te bouwen naast gebouwen die al zijn afgrond. Zodra de drakenschubben voorraad is uitgeput, wordt gekeken wie er de meeste heeft en die speler krijgt extra kristallen. En die kristallen heb je nodig om te bouwen aan het belangrijkste gebouw in de stad: een grote kristallen toren. En uiteindelijk is het daar allemaal om te doen, want de speler die als eerste een zesde keer bouwt aan de kristallen toren wint het spel. Ik heb Blue Moon City met veel plezier gespeeld. Het was wel even een worsteling om door de (Duitse) regels heen te komen omdat het even duurde voor ik door had dat alles in dienst staat van het verzamelen van de kristallen en dat het bouwen van de gebouwen alleen een middel is om kristallen te krijgen (al dan niet via de drakenschubben), maar geen doel op zich. Ons potje was echt spannend tot op het eind. Ik denk wel dat ook dit weer een voorbeeld van een spel is dat prima te spelen is met zijn tweeën, maar dat eigenlijk leuker is met drie spelers omdat er dan meer concurrentie is.

Cthulhu Rising is missschien wel de grootste mismatch tussen spel en thema in mijn spellenkast. Cthulhu is een monster dat in veel Ameritrash-spellen  probeert de macht te krijgen over onze wereld. Dit zijn vaak verhalende spellen met veel miniaturen en prachtige illustraties. Maar wie met deze verwachtingen Cthulhu Rising heeft gekocht, kwam bedrogen uit. In de doos zit namelijk een abstract spelletje dat bestaat uit een speelbord met twee rasters, een standaard pion en genummerde fiches in twee kleuren. Als Cthulhu-liefhebber voel je je dan terecht behoorlijk bekocht. En dat is jammer, want het spel zelf is echt heel leuk. Cthulhu Rising is een tweepersoonsspelletje waarin de speler om de beurt een fiche van hun kleur trekken en op één van de rasters neerleggen. Zodra een rij of kolom vol is, wordt deze gewaardeerd. De speler die de meeste fiches in zo’n kolom heeft scoort (min)punten gebaseerd op de setjes die in die rij liggen (twee/drie/vier/vijf keer hetzelfde getal). En dit levert een super spannende strijd op waarbij je regelmatig lastige keuzes moet maken over waar je een fiche zo neer legt dat hij jou punten op gaat leveren of de ander punten kost. Dit spel had eigenlijk een wat publieksvriendelijker thema als Cthulhu verdiend zodat het bij een breder publiek onder de aandacht was gekomen.

Het laatste spel dat we in deze Challenge speelden was Durch die Wüste (ooit in het Nederlands uitgegeven met de titel Heersers der Woestijn). Dit spel is misschien wel het spel met de meeste table presence (om eens een mooi Nederlands woord te gebruiken) van alle Knizia-spellen. In dit spel bouwen de spelen namelijk met pastelkleurige mini kameeltjes (die verwarrend veel doen denken aan snoep-schuimpjes) het zandkleurige bord vol. Aan het begin van het spel zetten de spelers om en om van iedere kleur een kameel op het bord met daarop een bedoeïen in hun spelerskleur. In je beurt plaats je vervolgens twee kamelen op het bord waarbij je ze netjes naast een andere kameel in dezelfde kleur van jouw karavaan in die kleur moet zetten. Op deze manier bouw je naar waterpoeltjes toe (die leveren punten op als je er over heen bouwt) en naar oases (die leveren punten op als je aangrenzend aan bouwt). Op deze manier hark je tijdens het spel al flink wat punten bij elkaar. Dit deel van het spel zou op zich zelf al een leuk spel hebben opgeleverd. Maar er is meer! Want je kan met een karavaan ook proberen een stuk bord te omsingelen (eventueel met behulp van de rand van het bord). Alle fiches die hier liggen mag je dan claimen en bovendien levert elk leeg vakje een extra puntje op bij de slottelling. Maar wacht,  er is nog meer! Aan het eind van het spel wordt per kleur kamelen ook nog gekeken wie de grootste karavaan heeft en die krijgt nog eens een dik pak bonuspunten. Durch die Wüste is echt een spel van overdaad. Er zijn zo veel manieren om punten te scoren dat je soms van hebberigheid niet weet waar je moet beginnen. Het is heel verleidelijk om je vooral op het oprapen van water-fiches en het aansluiten op oases te richten, maar als je dat te fanatiek doet dan mis je ongetwijfeld kansen om stukken van het bord te omsingelen en heb je niet de grootste karavanen. Maar als je focust op het omsingelen van het bord en het hebben van de grootste karavanen dan maak je het de ander wel weer heel makkelijk om overal de punten van de waterpoeltjes te pakken. Je moet dus een beetje voor alles gaan en daarbij goed opletten wat de ander doet om die op belangrijke momenten even dwars te bomen. Dit spel is echt spannend vanaf de eerste zet en blijft dat tot de laatste punt verdeeld is. Misschien vond ik dit wel het beste spel van alle Kniziaas die we gespeeld hebben in het kader van deze Challenge.

Genius heet in het Duits Einfach Genial. Dat is toch niet bepaald een bescheiden naam voor een spel. Ik neem ten minste aan dat de naam een  kwalificatie is van wat de auteur en uitgever van dit spel vonden. Geniaal gaat misschien wel heel ver, maar ik geef zonder moeite toe dat ik dit één van de leukste Kniziaatjes vind. Genius is een abstract spel waar je speelstukken op een bord met zeshoekige velden legt. Elk speelstuk bedekt twee velden. Je krijgt net zo veel punten als  rijen van velden in dezelfde kleuren grenzen aan de geplaatste stukken. En daardoor kan het hard gaan. Pakt de eerste speler die een tegel neerlegt naast één van de startvelden daar nog maar één lullig puntje voor. De volgende speler krijgt er al twee, daarna drie, etc. Bovendien mag je naar alle kanten van de tegel kijken en soms ontstaan er clusters waar je door één tegel te plaatsen ontzettend veel punten kan pakken. Dat is fijn, maar je gunt het de andere speler niet dus tijdens het bouwen probeer je je tegel ook zo neer te leggen dat de ander minder makkelijk mee kan liften. De eindtelling is er één volgens het maxi-min-principe waar Knizia zo van houdt: je scoort net zo veel punten als de kleur waar je het slechtst in bent. Als je dus maar zorgt dat een andere speler het op één kleur slechter doet dan jij, dan maakt het niet meer uit dat hij of zij op alle andere punten beter is. Dit maakt het tijdig blokken nog belangrijker en leuker.

Ik heb in 2012 ooit bij een bezoekje aan Duitsland de dobbelversie van Einfach Genial gekocht (Einfach Genial Das Würfelspiel). Dit spel was toen net uit en ik heb het puur gekocht op basis van mijn goede ervaringen met het bordspel. Ik heb het toen welgeteld één keer gedaan en daarna gedesillusioneerd in de kast gezet en er nooit meer uit gehaald. Maar een Challenge is natuurlijk pas een Challenge als het niet alleen maar leuk is, dus ook dit spel hebben we gespeeld. Met twee spelers heb je ieder vier dobbelstenen waarop alle zijden de bekende gekleurde symbolen uit het bordspel staan. Als je aan de beurt bent dan gooi je je dobbelstenen en krijg je punten gebaseerd op wat de andere speler heeft liggen. Dus als jij één rode ster gooit en de andere speler heeft twee rode sterren liggen, dan scoor je twee punten op rood. Als je twee, drie of vier keer hetzelfde symbool hebt gegooid dan mag je die dobbelstenen ook gebruiken om één, twee of drie willekeurige vakjes af te strepen (maar dan mag je ze niet gebruiken om de kleuren van de andere speler te scoren). Als je worp je niet bevalt, dan mag je één keer alle dobbelstenen over gooien, maar daarna moet je het doen met wat je hebt liggen. Het doel is als eerste je briefje vol te spelen en wie dat lukt heeft gewonnen. Deze dobbelversie is beduidend minder geniaal dan het bordspel doordat de geluksfactor van het dobbelen heel dominant aanwezig is. De belangrijkste beslissing die je maakt is of je wel of niet opnieuw gooit en daarbij kan je niet alleen meewegen wat de kans is om beter te werpen voor jezelf, maar ook welke kansen je huidige worp voor de ander oplevert (bijvoorbeeld als die nog veel blauw nodig heeft dan wil je misschien wel opnieuw werpen als je zelf blauw gooit om het de ander lastiger te maken in die kleur te scoren). Einfach Genial Das Würfelspiel is een razendsnel dobbelspelletje en daardoor heb ik me er nog best mee vermaakt. Maar dat neemt niet weg dat dit wel echt een voorbeeld is van een slecht spel dat de vormgeving van een populair spelt misbruikt om beter voor de dag te komen.

Geen opmerkingen: