zaterdag 14 februari 2015

Twee juristen, een econoom en een bewegingswetenschapper speelden Catan.....

Gisteren speelde Niek en ik met vrienden een ouderwets potje Kolonisten van Catan bordspel. Op een gegeven moment werd de rover verplaatst naar een tegel waar ook Niek aan lag. Mijn vriendin vroeg aan Niek hoeveel kaarten hij had en dat wilde hij niet zeggen. Hij wilde zelfs niet zeggen óf hij kaarten had. Mijn vriendin besloot bij Niek te jatten. Niek gaf met een grote grijns aan dat hij geen kaarten had en dus jatte ze dan maar bij de andere speler die ook aan die tegel lag.

We zijn toen even in de regels gedoken en ik heb wat hulplijnen ingeschakeld om te bepalen in hoeverre je verplicht bent om te laten zien óf en zo ja hoeveel grondstofkaarten je hebt.
In de regels van de editie die wij speelden (de eerste editie in de platte doos) staat hierover in de regels “Grondstofkaarten houd je altijd gesloten in de hand”. Verder staat er bij de uitleg van de 7-regel nog “De speler die beroofd wordt, biedt zijn kaarten verdekt in een waaier aan, zodat de ander er een kan trekken. Als meerdere spelers dorpen of steden aan die landtegel bezitten dan mag hij één van deze spelers beroven.

In de gerestylede editie van 2014 staat in de spelregels “Iedere speler houdt zijn grondstofkaarten altijd gedekt in zijn hand.” En bij de 7-regel staat (nadat de spelers die meer dan zeven grondstoffen hebben de helft hebben afgelegd en de struikrover is geplaatst): “Dan rooft hij eventueel van één speler die aan deze landtegel een dorp of stad bezit een grondstofkaart. De speler die beroofd wordt, biedt zijn kaarten gedekt in een waaier aan, zodat de ander er één kan trekken.

Maar ja wat betekent dat, gesloten of gedekt in de hand. En als je beroofd wordt houd je de kaarten in een waaier, maar wat doe je er de rest van de tijd mee? Vragen, vragen, vragen.

Mijn interpretatie van deze regels is dat je dus verplicht ben om je kaarten in je hand te houden op zo'n manier dat jij kan zien wat er op staat, maar de rest van de spelers niet. Iedereen kan daardoor zien óf je kaarten hebt en zo ja hoeveel, maar niet welke.

Er staat niet expliciet dat je je hand niet onder de tafel mag houden, maar het lijkt me dat het idee van Klaus Teuber is geweest dat mensen doorgaans met hun handen boven tafel spelen en iedereen dus kan zien óf je kaarten hebt en eigenlijk zelfs hoeveel kaarten je hebt, maar niet welke kaarten je hebt. Er staat per slot van rekening ook nergens in de spelregels dat je met je gezicht naar het bord moet zitten en niet met je rug. Spelregels moeten niet langer gemaakt worden dan nodig is dus waarom zou je iets uitleggen wat iedereen (...) automatisch goed doet. 

Maar er staat inderdaad nergens expliciet dat je moet laten zien hoeveel kaarten je hebt dus je kan er over twisten of dat openbare kennis is. Je zou je kaarten ook als een stapeltje vast kunnen houden in plaats van in een waaier. In de regels staat alleen dat je, als je het slachtoffer van de struikrover bent, verplicht je kaarten in een waaier moet aanbieder aan de rover. De rest van de tijd mag je dus zelf weten hoe je de kaarten vast houdt (al is mijn ervaring dat de meeste mensen de kaarten het liefst in een waaier houden zodat je goed kan zien wat je hebt).

Er staat aan de andere kant ook nergens dat je geheim mag houden hoeveel kaarten je hebt en dat lijkt me een belangrijke aanwijzing dat de informatie over hoeveel grondstofkaarten je hebt openbaar is en dat je het desgevraagd moet vertellen. Dit is ook best logisch want je wilt als een zeven gegooid is toch kunnen checken wie er meer dan zeven kaarten heeft en wie dus kaarten moet afleggen (en of dit ook netjes gebeurt).  

Maar ja, probeer dat maar eens aan een jurist uit te leggen. Dus als iemand me aan een uitspraak van een rechter op dit terrein kan helpen, heel graag!

zondag 8 februari 2015

Maandoverzicht: januari 2015 (Dagmar)

Januari was een goede spellenmaand waarin 18 keer een spel op tafel komt (ik ben helaas niet één van de spellengekken die tientallen keren per maand een spel kan doen). Drie van deze spellen speelde ik voor het eerst, drie spellen vielen in de categorie gouden ouwe en drie waren nog nieuw nog oud.

Mijn meest gespeelde spel was Pandemic the Cure. Dit spel was goed voor 6 potjes. Pandemic the Cure is de dobbelvariant van Pandemie. In dit spel moet je de wereld redden door vier epidemieën op te lossen (mensen genezen en medicijn ontwikkelen) door middel van dobbelstenen.  Van die zes potjes werd er maar één gewonnen, maar dat mocht de pret niet lukken. Dit spel is net zo verslavend leuk als het bordspel. Misschien was de “nog een keer” factor zelfs wel hoger omdat ik het spel zo graag een keer wilde winnen en dat een aantal keren op het nippertje niet lukte. Zelfs mijn coöperatieve-spellen-mijdende echtgenoot vond dit spel leuk en dat wil wat zeggen.

Mijn op één na meest gespeelde spel was scrabble (met vier potjes). Tussen die vier potjes zat een zeer gedenkwaardig potje tegen Niek. Ik stond mijlenver achter, trok alle verkeerde letters en hij ging ondertussen als een trein. Aan het eind van het spel kon ik bijna mijn woord uit, ik had daarvoor een e of een i nodig. Omdat die letters best vaak voorkomen, besloot ik maar één letter weg te leggen in de hoop dat ik daarna een e of i zou pakken. Dit lukte niet, maar omdat ik toch weinig te verliezen had, herhaalde ik het trucje en dit keer trok ik wel de felbegeerde e. Vervolgens kon ik mijn woord uitleggen (joyride). De zeven nieuwe letters die ik trok, vormden na enig gepuzzel het woord geologe zodat ik nog een keer mijn woord kon uitleggen. Niek had net de laatste letters uit het zakje getrokken en aangezien hij was begonnen, kreeg hij dus de maximale aftrek (de waarde van zijn zeven letters) om zijn oren. En door de monsterlijke scores die ik in mijn laatste twee beurten had bemachtigd, won ik het potje.

Verder speelde ik (naast Pandemic the Cure) nog Qwixx Mixx en King of New York voor het eerst. Qwixx vind ik een erg leuk dobbel-tussendoortje. Qwixx Mixx is een uitbreiding hierop die bestaat uit een nieuw scoreblokje waar de getallen in een andere volgorde staan. Deze andere volgorde haalde een beetje de vaart uit het spel doordat je veel meer moeite moest doen om te zien welke getallen waar terecht waren gekomen. Hierdoor vond ik de uitbreiding iets minder leuk dan ik had verwacht. Maar voor wie het spel vaak gespeeld heeft is het zeker een leuke twist.

King of New York vond ik erg tegenvallen. Ik vond King of Tokyo een leuk spel en mijn verwachtingen waren dan ook hoog gespannen voor deze spin-off. King of New York is denk ik het beste te beschrijven als King of Tokyo met meer bling bling. Zo liggen er nu fiches op het bord (legereenheden) die je kan verslaan om punten te scoren en deze legereenheden kunnen zelf ook weer aanvallen. Deze extra mogelijkheden halen de vaart te veel uit het spel naar mijn zin. Bovendien zijn de fiches op het bord erg klein, terwijl de monsters hun vertrouwde grootte hebben gehouden. Thematisch klopt dit wel, maar het speelt niet zo lekker omdat de fiches hierdoor niet goed te zien zijn en je het overzicht kwijt raakt. Mijn eerste potje was dus een beetje een deceptie, maar soms valt een tweede potje dan juist mee. Wordt dus vast vast vervolgd…..


De andere twee oudjes (naast scrabble) die op tafel kwamen waren Pompen of Verzuipen en Beowulf. Beide spelletjes hadden nog niets van hun glans verloren. Ik vond het vooral leuk om Beowulf weer eens te doen. Wat ziet dat spel er mooi uit. Door het spel word ik nieuwsgierig naar het verhaal. Ik heb een moderne bewerking van het verhaal in de kast staan, ik denk dat ik die binnenkort maar weer eens ga lezen.

Recensie: Pandemic the Cure

Matt Leacock is er weer in geslaagd om het spellenvirus op de wereld los te laten. De eerste keer dat hij de wereld met het (spellen)virus bestookte was in 2007 met Pandemie. Pandemie is een coöperatief bordspel waarin spelers vier levensbedreigende virusuitbraken tijdig onder controle moeten zien te krijgen door slim samen te werken en verstandig om te gaan met je handkaarten. Nu, acht jaar na het grote succes van Pandemie, doet Matt Leacock het kunstje nog eens dunnetjes over, maar dit keer met dobbelstenen.

Thematisch verschilt The Cure niet zo veel van Pandemie, maar het spelmateriaal verschilt wel flink. Dit keer speel je niet op een groot bord met daarop een wereldkaart, maar bestaat de wereld uit zes ronde kaartjes met daarop de werelddelen (en een nummer). De snelheid waarmee de virussen zich verspreiden wordt bijgehouden op een plastic rond “scorespoor”. En zoals het een dobbelspel betaamd, zitten er vooral heel veel dobbelstenen in de doos, waaronder vier kleuren dobbelstenen die de virussen voorstellen die zich over de wereld verspreiden.

Iedere speler krijgt een eigen rol toegewezen met speciale eigenschappen, zo kan de arts beter genezen en de wetenschapper heel goed medicijnen ontwikkelen. Iedere speler heeft ook een eigen setje met dobbelstenen. Op de zijden van de dobbelstenen staan symbolen die de verschillende mogelijke acties aangeven. Aan het begin van iedere beurt gooi je met je dobbelstenen en de worp bepaald wat je mag doen. Je mag net zo vaak overgooien als je wilt. Dit is echter niet risico-loos, want op elk dobbelsteen staat ook een “biohazard” symbool. Dobbelstenen met het “biohazard”-symbool mogen niet overgegooid worden en zorgen er voor dat het virus langzaam maar zeker verder om zich heel grijpt.

Met de andere symbolen kan je vervolgens zieken genezen, reizen naar andere locaties én monsters nemen. Als je een monster neemt, dan mag je een virus-dobbelsteen pakken en de twee dobbelstenen samen voor je neerleggen. Zodra je tenminste drie dobbelstenen hebt, mag je iedere beurt de dobbelstenen één keer gooien. Als het je lukt om 13 of hoger te gooien, dan heb je een geneesmiddel voor het betreffende virus uitgevonden (champagne-momentje).

Nadat een speler zijn beurt heeft uitgevoerd, trekt hij drie of vier dobbelstenen (hangt af van de fase van het spel) virus-dobbelstenen uit een zak en gooit deze. Vervolgens worden ze op het werelddeel dat het gegooide nummer heeft gelegd (of te wel: er zijn weer meer mensen ziek geworden). Als er op een werelddeel een vierde dobbelsteen in een kleur wordt gelegd, dan volgt er een uitbraak. Je mag maximaal zeven uitbraken hebben tijdens het spel, anders heb je verloren.

Er is één manier om dit spel te winnen (voor alle vier de virussen een medicijn ontwikkelen) en er zijn drie manieren om het spel te verliezen (een achtste uitbraak, te veel “biohazards” gegooid, te weinig virus-dobbelstenen in de zak om aan te vullen). Met een beetje geluk en vooral door goed samen te werken is het mogelijk om te winnen, maar je krijgt het zeker niet cadeau.

En de waardering...

Pandemic the Cure is de naam Pandemie absoluut waardig. Pandemie is wat mij betreft het beste coöperatieve spel dat er is, en Pandemic the Cure doet er niet voor onder. Ik vind het lastiger om The Cure te winnen dan Pandemie en dat maakt het alleen nog maar verslavender. Als je net niet wint, dan wil je gewoon onmiddellijk nog een keer om te kijken of het nu wel lukt. Door de dobbelstenen zit er natuurlijk wel een zekere geluksfactor in en natuurlijk is het frustrerend als je door een heel ongelukkige worp verliest (met vier dobbelstenen voor een medicijn dobbelen en dan vier één-en gooien is niet grappig), maar daar staat tegenover dat je soms ook schaamteloos veel geluk kan hebben waardoor het virus-bestrijden je juist makkelijk af gaat. Het spel zit goed in elkaar en je moet ook echt goed nadenken wat je doet en goed samenwerken, anders ben je kansloos (hoe goed je ook gooit). Dit spel is een absolute aanrader voor de liefhebbers van coöperatieve spellen.





Auteur:  Matt Leacock
UItgever: Z-man Games (2014)
Aantal spelers: 2-5
Speelduur: circa 30-60 minuten
Leeftijd: vanaf 8 jaar
Prijs: circa 40 euro